Tijdens de gehele Eerste Wereldoorlog vluchten mensen die aan het geweld willen ontsnappen naar het neutrale Nederland. Ook Rotterdam neemt deze jaren veel vluchtelingen op. Onder hen vormen de Belgen de grootste groep. Maar ook Oost-Europeanen, Duitsers en Fransen zoeken een plek in de Maasstad.
Waar krijgen ze onderdak?
Ongeveer 6.000 Belgen verblijven in openbare gebouwen en ongeveer 17.000 bij mensen thuis. Degenen die op schepen werken wonen in hun eigen schip in de Rotterdamse haven. In 1914 verloopt de hulpverlening aan Belgen chaotisch. Voor Rotterdamse burgers is het lastig om goede hulp te bieden omdat de stroom van vluchtelingen te groot is.
Hulp van het Vrouwencomité
Vrouwen, veelal uit de midden- en hogere klasse, proberen orde te scheppen in de chaos. In Rotterdam bundelt Elisabeth Baelde hun krachten in het Vrouwencomité. In meerdere plaatsen worden deze comités opgericht en ze houden zich onder meer bezig met het breien van kleding voor de gemobiliseerde mannen en het helpen van armen en vluchtelingen.
Vrouwen aan het werk
Hoewel Nederland niet meedoet aan de Eerste Wereldoorlog, zijn er wel 200.000 mannen in militaire dienst. Daarom nemen vrouwen het werk van de opgeroepen mannen over en houden de economie aan de gang. Sommige vrouwen doen het vrijwillig, anderen moeten wel omdat anders niemand voor het inkomen kan zorgen voor het gezin. In mei 1916 werken 3209 meisjes en 5051 vrouwen méér in de Nederlandse fabrieken dan twee jaar daarvoor. In de loop van de oorlog wordt door de Nationale Vrouwenraad van Nederland voorgesteld om in gemeenten een Vrouwen Urgentieraad op te richten, die speciaal op vrouwen gerichte cursussen verzorgen. Zo kunnen vrouwen als typiste, secretaresse en zelfs tramconductrice aan de slag. Maar vooral ook bij het oprichten van gaarkeukens, want voedsel is schaars.
Hoe gaat dit na de oorlog?
Na de oorlog worden de vrouwen weer ontslagen en worden vacatures weer eerst aan mannen aangeboden. Toch verandert langzamerhand de publieke opinie: vrouwen hebben immers laten zien dat zij hun ‘mannetje staan’.