Arbeidsinzet was een vorm van slavernij. Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden jonge mannen uit bezette gebieden gedwongen om in nazi-Duitsland te werken. Zij vervangen de Duitse mannen die het leger in gaan. De meeste dwangarbeiders komen in kampen in het Duitse Ruhrgebied terecht.
De situatie in de kampen
De situatie in de kampen is vaak zeer slecht. De winter van 1944-1945 is heel koud (soms vriest het 18-20 graden onder 0), er is een tekort aan voedsel, er zijn geen matrassen, dekens of goede wc’s en er zijn overal luizen en ongedierte. Ook zijn er niet genoeg kleding en schoenen.
Het werk
Het werk is zwaar en onveilig. Het zijn lange dagen in slechte weersomstandigheden. Daarnaast moeten de mannen lang lopen, soms twee uur, op slechte schoenen. De mannen doen werk als puin en bunkers bouwen.
Bram de Lange schrijft het volgende:
'Later moest ik ’s nachts, bij min 30 graden, in een kolenbunker werken om de locomotieven van kolen te voorzien. Ik had onvoldoende kleding en mijn handen vroren vast aan de stalen kiepkarren.'
Angst voor bommen
Dat de geallieerden constant luchtaanvallen uitvoeren en de Duitse gebieden bombarderen, maakt het extra gevaarlijk. De dwangarbeiders mogen vaak geen gebruik maken van de schuilkelders die door de Duitsers worden gebruikt.
De bron
De bron is een tekening gemaakt door de 30-jarige Jacob Polak op 10 januari 1945. Het is een tekening van een van de vier bruggen over het Rhein-Herne kanaal bij Duisburg in Duitsland. Daar is Jacob samen met 50 andere Rotterdammers naartoe gevoerd. In de ochtend van 28 maart 1945 worden alle vier de bruggen opgeblazen door de geallieerden. Later die dag zijn Jacob en de andere mannen bevrijd.